Dossieropdracht 6 h: evaluatie

Lesgeven en zelfstandig leren. Geerligs H 10 “evaluatie”.

“De wijze van evalueren heeft grote invloed op het studiegedrag van leerlingen”. Deze zin zegt al genoeg over hoe belangrijk “evaluatie” kan zijn in het bepalen van een geslaagde leerklimaat. Maar er draaien allemaal vragen rondom “evalueren”, wat moet ik evalueren? Hoe moet ik evalueren? Hoe ga ik om met de evaluatieresultaten?…allemaal vragen die ik zoveel mogelijk ga proberen te beantwoorden m.b.v mijn modeste ervaringen als docent, mijn ervaringen als student en de aangeboden informatie uit “Geerligs” paragrafen 10.1 t/m 10.12.

10.1

hier worden een paar belangrijke punten benoemd:toetsen moeten ook toepassing van kennis toetsen en niet alleen het reproduceren. Dat vind ik de beste manier voor het beklijven van nieuwe kennis, want uit eigen ervaringen (vooral als student) kan ik wel zeggen dat onthouden en begrijpen alléén tot en met een proefwerk effectief kunnen zijn. Dit leidt tot het volgende punt dat jou manier van evalueren bepalend is op hoe en wat leerlingen leren. Over het feit dat slechte prestaties een gevolg kunnen zijn van een te lage inzet ( wordt hier ook het sociale en emotionele leefomgeving van de leerling bedoeld) of een beperkte intellect hangt af van wat men hiermee bedoelt.

10.2

Er wordt hier een viertal aspecten genoemd bij het evalueren van leerprestaties: meten, normeren, waarderen en beslissen (zie “Geerligs” blz. 311).

Wat ik meestal doe is het bespreken van een proefwerk met collega’s, we hebben het vaker over normeren en waarderen. Er ontstaan hier vaker discussies over. Sommige docenten willen liever de punten gelijk verdelen over alle opgaven zodat alle leerlingen de kans krijgen een voldoende te halen (dan raken alle leerlingen gemotiveerd), andere docenten (die worden als streng beschouwden) vinden dat je een voldoende pas mag halen als je de stof echt goed beheerst. Ik vind zelf dat je de leerlingen moet blijven motiveren en tegelijkertijd consequent blijven, en het is wel moeilijk om de balans hiertussen te vinden. Ik ga liever voor absoluut normeren, want dan kan ik afspraken maken met mijn leerlingen over de normering, maar het gebeurt wel dat ik in bepaalde gevallen relatief normeert (bijv als een leerling van zichzelf en in eigen woorden een uitleg toevoegt of een andere aanpak toepast die wijst dat hij de leerstof echt onder de knie heeft, dan kan ik wel de normering aanpassen zodat hij ziet dat ik dat waardeer van hem).

10.3

Formatieve evaluatie doe ik d.m.v diagnostische toetsen, leerlingen moeten dan de antwoorden op een apart blaadje opschrijven en mogen niet terug bladeren in hun werkschriften. Leerlingen krijgen ook hierdoor de kans om zich te evalueren.

Summatieve evaluatie deed ik eerst d.m.v proefwerken (tellen dubbel mee), maar nu geef ik eerst één of twee SO’s en daarna een proefwerk en soms niet (afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van een hoofdstuk en na overleg met collega’s). Ik heb wel gemerkt dat de prestaties beter waren als je eerst een SO en later een proefwerk geeft dan wanneer je alleen maar proefwerken geeft. Ik heb ook collega’s die alleen SO’s geven en anderen die werken alleen met proefwerken geven, ik zou wel meningen van medestudenten hierover willen horen.

10.4

Ik maak gebruik alleen van schriftelijke toetsen bij summatieve evaluatie, maar ik maak ook gebruik van mondeling toetsing tijdens de lessen vooral bij het naar voren halen van voorkennis of het nabespreken van een proefwerk (niet alle opgaven moeten op het bord gemaakt worden). Binnen de wiskunde sectie is ook afgesproken dat leerlingen één hoofdstuk in groepjes van minimaal drie moeten maken, en zo kan je ook als docent informatie verkrijgen over algemene vaardigheden van je leerlingen.

10.5

De primaire kwaliteitseisen voor evaluatiemiddelen zijn validiteit en betrouwbaarheid.

Validiteit: door het realistisch rekenen valt er heel veel te zeggen over de validiteit van de evaluatiemiddelen in wiskunde (er woorden soms hoge eisen gesteld aan tekstbegrip). Je kan wel als docent ervoor zorgen dat er zoweinig mogelijk tekst in je proefwerken staat, maar mijn vraag is: voldoet je toets dan wel aan de gestelde eisen van het realistisch rekenen?

Betrouwbaarheid: een toetsing herhalen vind ik de beste manier om de betrouwbaarheid te’toetsen’, maat dat is niet altijd mogelijk. Wat ik vaker doe is de wat zwakkere leerlingen een paar opgaven op het bord laten maken tijdens het nabespreken van een proefwerk (leerlingen die de opgaven ook goed hebben gemakt tijdens de toetsing). Ik stel me ook vaker de vraag of, of als mijn leerlingen een andere toetsing van een collega zullen krijgen of ze dan dezelfde cijfers zullen krijgen (vooral als iedereen een voldoende heeft). Leerlingen krijgen ook altijd genoeg tijd om de opgaven te kunnen maken, want ik vind dat de evaluatie om het wat geleerd is gaat en niet om hoe snel je het geleerde kunt toepassen. Je moet wel zorgen dat leerlingen die eerder klaar zijn iets te doen krijgen.

Beoordelaarseffecten: het ‘halo-effect’ heb ik vermeden door afspraken te maken met mijn leerlingen. Tijdens het nabespreken van een proefwerk krijgen leerlingen genoeg tijd om hun proefwerken te controleren en te vergelijken met die van anderen. Hierdoor blijf ik altijd tijdens het nakijken van toetsen zo objectief mogelijk.

Opvatting- en volgorde-effect heeft volgens mij weinig effect op een wiskundedocent, zolang hij zich vast blijft houden aan zijn normering.

Van contaminatie-effect heeft elk docent last van. Het komt doordat er altijd conflicten zijn binnen de secties en ook door het feit dat leraren verschillend kijken naar hoe je een leerling het best kunt stimuleren.

10.6

Ik vind dat een docent als enige beoordelaar moet optreden voor een optimale betrouwbaarheid en validiteit van een evaluatie, dat komt doordat hij zijn leerlingen beter kent dan andere collega’s en boven de leerstof staat in vergelijking met medeleerlingen. Ik denk dat als er anderen als beoordelaars zullen optreden dan zal dat zeker in het belang van de desbetreffende leerling zijn (vooral als het om medeleerlingen gaat). Wat ik gemerkt heb met zelfevaluatie (gelijk na een proefwerk ‘prognosecijfer’) is dat de wat zwakkere leerlingen vaker zich niet kunnen beoordelen, de wat matige leerlingen hebben vaker een beoordeling die meestal klopt en de goede leerlingen een strenge beoordeling hebben tegenover zichzelf.

Wegens mijn modeste ervaring, weet ik dat ik het moeilijk zal zijn om de groepsprestaties te kunnen beoordelen.

10.7

Ik denk dat het niet van toepassing kan zijn om een mondelinge toetsing te gebruiken voor een summatieve evaluatie. Het kan wel toegepast worden bij formatieve evaluatie om in een korte tijd (maar dan moet je wel de vragen goed voorbereiden) erachter te komen waar de lacunes in het kennen en kunnen zitten.

10.8 en 10.9

Open en gesloten vragen: omdat wiskunde een exacte vak is, zijn de vragen (open of gesloten) en de antwoorden ook exact vind ik. Er worden wel een paar richtlijnen genoemd die van belang zijn voor het opstellen van open vragen, wel vind ik dat de volgende twee punten niet altijd van toepassing kunnen zijn in wiskunde:

Vragen moeten zoveel mogelijk onafhankelijk van elkaar zijn, wat niet mogelijk is. In een wiskundige probleem hangt wel alles bij elkaar.

Ook het splitsen van complexe vragen in deelvragen is niet altijd mogelijk en soms geldt zelfs het tegenovergestelde om na te gaan of leerlingen het geleerde in een aantal stappen kunnen toepassen (bijv eerst hoeken berekenen om later de zijden van een driehoek te kunnen berekenen).

Gesloten vragen woorden ook steeds vaker gebruikt vooral in het kader van schattend rekenen. Verder vind ik dat de aangeboden informatie meer bedoeld voor ander vakken is dan voor wiskunde.

10.10

Werkstukbeoordeling: de termen globaal- (waardering op grond van een totaalindruk) en analytisch beoordelen (beoordeling van deelaspecten van een werkstuk) komen hier weer aan de orde. Door semi-globaal te beoordelen kan de voordelen van beide methoden combineren. Ik zou wel willen weten hoe dat echt in de praktijk werkt.

10.11

Ik had eigenlijk nooit eerder gehoord van relatief normeren en hier zal ik ook niet voor kiezen simpelweg omdat ik het vooraf stellen van eisen waaraan leerlingen moeten voldoen om een voldoende te kunnen halen heel erg belangrijk vind in het bepalen van de kerndoelen van een leerstof. Voor nog meer redenen zie ‘Geerligs’ blz. 363 voor een vergelijking tussen absolute en relatieve normering.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.