Hoofdstuk 8 uit ”Wiskundeonderwijs in de basisvorming”:
Het leren wordt door veel leerlingen als een moeilijke proces ervaren. Docenten zouden hier meer moeten betekenen voor hun leerlingen en zorgen dat zij ook kunnen leren leren. Één van de mogelijkheden hiervoor is om leerlingen samen te laten werken. In hoofdstuk 8 uit “Wiskundeonderwijs in de basisvorming” worden een paar belangrijke punten genoemd.
Men heeft het hier als eerst over een didactische verschuiving van voordoen nadoen naar probeer het zelf eens. Ik ben het hier wel mee eens maar vind toch dat het veel met “wat” voor leerlingen je voor je hebt te maken heeft. Het heeft ook mee te maken met wie je bent als docent en of je bereid bent om werk en verantwoordelijkheid af te staan.
Verder worden er andere voordelen van samenwerken benoemd:
Leren elkaar beter helpen.
Van elkaar leren.
Betere beklijving van het geleerde door uitleg aan anderen.
Leerlingen die goed kunnen samenwerken staan sterker in de maatschappij.
Docent krijgt dan meer tijd voor waar hulp echt nodig is.
Ik vind vooral het laatste punt, als docent, heel erg belangrijk. Ik kwam vaker tijd te kort doordat ik alle vragen van mijn leerlingen zelf wou beantwoorden. Als je met een paar leerlingen afspreekt dat ze andere leerlingen zouden kunnen helpen (samenwerken) als zij klaar zijn dan zal je merken dat je dan vaker tijd over zal hebben voor leerlingen die hulp echt nodig hebben. Ik laat ook mijn leerlingen vaker met z’n tweeën werken en dat vinden ze altijd leuk, maar je moet wel zorgen dat ze met wiskunde bezig blijven. Hiervoor moet je duidelijk aangeven wat zij moeten doen en wat zij van jou kunnen verwachten.
Voor het samenwerken in groepjes groter dan twee (groepjes van vijf zijn in het algemeen te groot) wordt wel aangeraden om de samenstelling van de groepjes aan de leerlingen over te laten en er pas in te grijpen als er zich problemen voordoen. Ik ben het eigenlijk niet helemaal mee eens, want dan zouden de leerlingen meestal dezelfde groepjes gaan vormen (wat niet de bedoeling is). Ik zou het vooral niet toepassen in een multiculturele klas, want dan is de kans groot dat de groepjes op etnische basis gevormd zullen worden.
Een andere aandachtspunt voor een goede samenwerking is het werken volgens een gemeenschappelijke methode. Het zou geen probleem zijn als je, je leerlingen duidelijk maakt dat het de beste manier is om niet in tijdnood te komen.
Het is uiteindelijk de bedoeling dat samenwerken voordeel moet opleveren, wat niet gemakkelijk is. Hiervoor zijn er een paar vuistregels benoemd en die zou ik kunnen samenvatten in een klassikaal begin(geleidelijke overgang), leerlingen samen laten werken volgens een school of sectiebeleid (leerlingen moeten bij ons op school minimaal één hoofdstuk in groepjes maken) en uiteindelijk een klassikaal afsluiting (het nabespreken van de gang van zaken waaronder problemen).
Een beging maken met samenwerkend leren:
De meest punten die hierboven genoemd zijn komen weer terug in hoofdstuk 3 uit “effectief leren”. Het is wel meer gedetailleerd en wordt zelfs versterkt d.m.v. voorbeelden.
Er komt ook “iets”extra in ‘effectief leren’, en dat zijn de sleutelbegrippen met drie basisstructuren van samenwerkend leren.
De sleutelbegrippen die hier centraal staan zijn: positieve wederzijdse afhankelijkheid en directe interactie.
1- Om voor een positieve wederzijdse afhankelijkheid te zorgen worden er een paar mogelijkheden benoemd (zie blz. 95), neem bijvoorbeeld het vervullen van verschillende taken: in hoofdstuk 5 van ‘getal en ruimte’ lijnen en hoeken, heb ik de leerlingen in groepjes van 3 verdeeld. De éne leerlinge moest hoeken gaan meten, de andere hoeken tekenen en de laatste evenwijdige lijnen tekenen.
De bedoeling hiervan was dat alle leerlingen alle drie opdrachten op het bord zouden kunnen maken (was een idee van een medestudent tijdens bijeenkomst 5). Het was het eerste keer dat ik deze klas in groepjes liet werken en het ging wel goed.
2- Individuele aanspreekbaarheid zie ik als een logische gevolg op een positieve wederzijdse afhankelijkheid. Het is ook gerealiseerd in het voorbeeld hierboven omdat ik uiteindelijk als docent kon bepalen wie naar het bord zou moeten gaan.
Na de sleutelbegrippen komen er drie basisstructuren aan de orde:
Check in duo’s: volgens mij maakt elke docent bewust (met z’n toestemming) of onbewust (leerlingen leggen vaker onderling uit) gebruik hiervan.
Denken-delen-uitwisselen: het gaat hier net als bij check in duo’s om korte vragen. We waren het eens in ons groepje dat het een ideaal manier van leren zou zijn voor zwakke leerlingen, omdat ze dan de kans en vooral de tijd krijgen om over een gegeven vraag na te denken. Ze krijgen ook de kans om hun antwoorden te controleren en dat zorgt voor een veilige gevoel en een optimale rendement van de hele klas.
Eenvoudige expert: er is sprake hier van complexe opdrachten. Hier heb ik tot nu toe maar één keer mee gemakt. Twee van mijn klassen moesten een hele hoofdstuk zelf bestuderen. Ze mochten (moesten) zelf bepalen wat, waanneer en waar iets zou gemaakt moeten worden. Ze moesten aan het eind bepaalde opgaven, een zelf gemaakte proefwerk opdracht en een verslag over de samenwerking inleveren voor een SO cijfer. Het ging echt prima en leerlingen hadden zelf in elk groepje het werk verdeeld. De wiskundige opdrachten hebben ze allemaal gemaakt omdat ze wisten van tevoren dat er een proefwerk op hun staat te wachten als ze klaar zijn. Maar voor de rest moest iedereen voor iets anders zorgen: proefwerk vragen, verslag over de samenwerking, PowerPoint presentatie…Het enige wat ik moest doen was af en toe een klassikaal uitleg geven en zorgen dat alle werkstukken op tijd ingeleverd konden worden (dat was niet gelukt en leerlingen hebben één extra week gekregen).
Ik zal zeker nog vaker hier gebruik van maken want mijn leerlingen waren echt enthousiast geworden en ik was voor het eerst meer bezig met begeleiden dan met “klassikaal doceren”.
gaby de jong zei,
januari 15, 2009 bij 1:03 pm
Hallo Mohammed,
Het stuk van H8 is duidelijk, ik ben het helemaal met je eens dat je als docent je ook in de werkvormen moet kunnen vinden en dat je bereid bent om los te laten. Het is inderdaad zo dat je dan meer tijd hebt die je kunt gebruiken om de zeer zwakke rekenaars te helpen.
Je stuk over effectief leren is helder en ik ben met mijn klas ook begonnen te werken in duo’s. Wij werkten al in groepjes maar na het lezen van Ebbens heb ik veel meer structuur hierin gebracht en ben ik ook meer bewuster geworden betreffende de diverse werkvormen. Wel vind ik het nog moeilijk om te peilen wie er nu echt wat leert en hoe er geleerd wordt. Ik merk wel dat de werkvormen die in Ebbens staan door mijn leerlingen worden gewaardeerd en ik leer er ook steeds beter mee om te gaan.
Groetjes,
Gaby